Oorspronkelijk gepubliceerd op 07jan2018

Freud en Herr Aliquis

Een interessant gesprek

In het tweede hoofdstuk van "Zur Psychopathologie des Alltagslebens" (1901) komt Freud op de proppen met een sterk verhaal over een gesprek dat hij had met "een jongeman van Joodse afkomst, academisch geschoold" en daarenboven vertrouwd met Freuds geschriften. Het gesprek is heel leerrijk.

De jongeman beklaagt er zich over dat het niet gemakkelijk is om Jood te zijn in Oostenrijk; hij windt zich op en besluit met een citaat uit de Aeneis van Vergilius, waarin Dido Aeneas vervloekt met de woorden: "Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor!" ("Moge er ooit iemand verrijzen uit ons gebeente om ons te wreken!"). De man citeert dit verkeerdelijk als "Exoriare ex nostris ossibus ultor" -hij vergeet het woord "aliquis" ("iemand") en haspelt de woorden dooreen. Freud, vertrouwd met de klassiekers, verbetert hem met de vingers in de neus. Daarop herinnert de man Freud eraan dat volgens zijn theorie geen enkel woord "zomaar" vergeten wordt, er zit altijd iets achter, en hij daagt Freud uit om zijn vergetelheid te verklaren.

Een kolfje naar de hand van Sigmund Freud. Hij vraagt de "jongeman" om spontaan en onbevangen te vertellen wat in hem opkomt bij het weggelaten woord "aliquis".

Karel van het Reve (1985) vat samen wat er vervolgens gebeurt:

Het originele verhaal

Voor wie geïnteresseerd is in de oorspronkelijke tekst (in Nederlandse vertaling): ik heb een oudere vertaling door Johan Stärcke (1916) als uitgangspunt genomen; ik heb deze vertaling (die, niet verwonderlijk, na 100 jaar soms ouderwets aandoet) hier en daar gemoderniseerd en bewerkt maar niet fundamenteel veranderd. U kan het resultaat hier lezen.

De jongeman wordt om begrijpelijke redenen in de literatuur met de naam "Herr Aliquis" bedacht.

"De jongeman gaat aan het associëren, en het eerste wat hem invalt is, dat hij het woord wil verdelen in "a" en "liquis". Dat brengt hem op Reliquien - Liquidation - Flüssigkeit - Fluid. Verder denkt hij aan de heilige Simon van Trente, wiens relikwieën hij in Trente gezien heeft, aan de religieuze moorden waarvan de Joden van tijd tot tijd beticht worden, aan een boek van Kleinpaul over dat onderwerp, aan een artikel in een Italiaans tijdschrift over de uitlatingen van Augustinus over vrouwen, aan een krasse oude heer die hij laatst ontmoet heeft, een "wahres Original", die Benedikt heet. Dan denkt hij aan de heilige Januarius en diens bloedwonden: in Napels wordt een flesje opgedroogd bloed bewaard en op een bepaalde feestdag pleegt dat bloed vloeibaar te worden. In de Franse tijd of onder Garibaldi heeft een militair een keer met een duidelijke verwijzing naar zijn soldaten de geestelijke die over dat bloed ging apart genomen en duidelijk gemaakt dat hij hoopte dat het wonder zich spoedig zou voltrekken, en dat gebeurde dan ook."

Hier stokt de patiënt, want nu komt er iets dat te persoonlijk is om over te praten. Op aandringen van Freud doet hij het toch. "Ik dacht plots aan een dame van wie ik een bericht zou kunnen krijgen dat voor ons allebei zeer onaangenaam zou zijn", zegt hij.

Meer heeft Sherlock Freud niet nodig om te weten waarover het gaat. Het gaat over het uitblijven van de menstruatie bij de dame in kwestie.

"Hoe kan jij dat raden?" zegt de jongeman verbaasd.

My name is Holmes. Sherlock Holmes.

Karel van het Reve verwijst naar een gelijkaardige conversatie tussen Sherlock Holmes en Dr. Watson. De geniale speurder trekt een conclusie die zijn gesprekspartner verbaast. "How the deuce did you know that, Mr. Holmes?" zegt Dr. Watson ("Wie können Sie das erraten?" bij Herr Aliquis). Sherlock neemt kennis van die verbazing en legt uit dat het allemaal heel eenvoudig was ("Elementary, my dear Watson" -"Das ist nicht mehr schwierig" bij de Weense speurneus) en legt vervolgens uit hoe hij tot die conclusie gekomen is.

Dit Sherlock Holmes-fragment vertoont gelijkenis met het huzarenstukje van Freud, maar Van het Reve haalt nog een ander avontuur aan (uit 1891). Hierin wordt Sherlock Holmes uitgedaagd door zijn assistent, op dezelfde manier als Freud door "de jongeman". Freud was een gretige lezer van de speurdersavonturen van Sherlock Holmes. Van het Reve merkt hierbij fijntjes op dat Doyle, in tegenstelling tot Freud, zijn boeken publiceerde als fictie.

"Dat is niet moeilijk meer", antwoordt de Weense speurneus, "je hebt alle elementen zelf aangebracht. Denk maar aan de kalenderheiligen, aan het vloeibaar worden van het bloed op een bepaalde dag, de opwinding die ontstaat wanneer deze gebeurtenis niet plaatsvindt, het duidelijke dreigement dat het wonder plaats moet vinden, anders .... Je hebt inderdaad het wonder van de heilige Januarius verwerkt tot een prachtige toespeling op de maandstonden van de vrouw."

Al wat je zegt, ben je zelf

Net zoals wij nooit met 100% zekerheid kunnen aantonen dat meester Vermassen het verhaal dat startte met de toeristische rondrit door Brussel verzonnen heeft, zo kunnen wij nooit met 100% zekerheid aantonen dat Freud de ontmoeting met Herr Aliquis uit zijn duim gezogen heeft. We kunnen alleen zeggen dat Herr Aliquis wel erg veel gemeen heeft met niemand minder dan Sigmund Freud zelf.

Het is Peter Swales die in een artikel uit 1982 in "The New American Review" (onder de titel "Freud, Minna Bernays, and the conquest of Rome") de kwestie aankaart. Als Herr Aliquis op de hoogte is van Freuds theorie over het vergeten, dan moet hij het weinig bekende artikel "Zum psychischen Mechanismus der Vergesslichkeit" gelezen hebben, in 1898 door Freud gepubliceerd in "Monatsschrift für Psychiatrie und Neurologie" (van het Reve, 1985). Een erg gespecialiseerd tijdschrift -dat is op zich al sterk.

Maar Herr Aliquis heeft nog andere links naar Herr Freud. Net als Freud is Aliquis academicus, Jood, meent hij dat zijn carrière is gedwarsboomd vanwege zijn afkomst, is hij eerzuchtig, citeert hij uit de Aeneis (een werk waaruit Freud ook in andere geschriften citeerde), is hij in Trente geweest (en jawel, Freud heeft er nog diezelfde zomer vertoefd in het gezelschap van Minna, zijn schoonzus -een vermaledijd toeval!), kent hij iemand die Benedikt heet (de man die Freud geholpen had bij de introductie bij Charcot), heeft hij het boek van Kleinpaul "Menschenopfer und Ritualmorde" gelezen (Freud was een bewonderaar van Kleinpaul), verwijst hij naar Augustinus (door Freud enkele maanden later geciteerd in "Dora", eveneens in verband met zijn vrouwonvriendelijke houding) -kortom, alles wat spontaan opkomt in het hoofd van Herr Aliquis, kon ook wel in het hoofd van Freud zijn opgekomen. Zelfs de dame waarvan sprake, want zij doet denken aan Minna Bernays, de jongere zus van Freuds echtgenote. Minna was na het overlijden van haar verloofde in 1896 bij het echtpaar Freud ingetrokken (en zou daar voor de rest van haar leven ook blijven). Het huwelijk van Freud stelde niets meer voor, schreef hij aan zijn vriend Fliess, en er zijn onmiskenbare aanwijzingen dat hij een affaire had met Minna. Hij schreef haar brieven, maakte reizen met haar naar idyllische plekjes in Zwitserland en Italië (terwijl Martha thuiszat), deelde met haar een hotelkamer, en vertelde Jung in nauwelijks omfloerste bewoordingen dat hij seks had met zijn schoonzus. Ook de vrees voor de zwangerschap in het Aliquis-verhaal kan dus gelinkt worden aan Freud himself.

Alleen voor het verhaal over Napels en het "wonder van het vloeibaar bloed" vond Swales geen directe link met Freud. Freud had Napels nooit bezocht en laat zich door Herr Aliquis voorlichten over het bloed van den heiligen Januarius. Swales vermoedde daarom dat het gebeuren rond de tijd dat Freud het Aliquis-verhaal op papier zette, op de een of andere manier in het nieuws moet zijn gekomen. Maar hij kon dit niet aantonen.

Het bewijs werd bijna 20 jaar later (in 2001) geleverd door Richard Skues (in Crews, 2017). Op 23 september 1900 verscheen een artikel in de "Neue Freie Presse" (een Weense krant) waarin Georg Brandes, een Joods-Deense schrijver, twee reisboeken over Napels recenseerde; in één van deze werd de situatie omtrent het bloed van Januarius uitgebreid behandeld. Freud miste niet alleen geen enkele aflevering van deze krant, hij kende de auteur ook van een lezing en had hem al eens zijn eigen werk toegestuurd als blijk van appreciatie. Het kan bijna niet anders dan dat hij het artikel gelezen heeft. Dat het krantenartikel verscheen enkele maanden na de zogezegde ontmoeting met Freud's alter ego is een bijkomende aanwijzing dat de Aliquis-conversatie zich alleen in het hoofd van Freud heeft afgespeeld. Het was niet de enige keer dat Freud figuren verzon om zich te outen.

Besluit

Aan de hand van een reeks associaties, leidt onze Weense speurneus af dat het woord "aliquis" onbewust werd vergeten uit afkeer voor de gedachte aan een ongewenste zwangerschap. Wie daar bedenkingen bij heeft, moet beseffen dat het niet Freud zelf is die bovenstaande associaties heeft gegenereerd, maar een anoniem Joods heerschap van academisch niveau, vertrouwd met Freuds geschriften. Dit heerschap heeft daarenboven zelf deze vaststellingen aan zijn alter ego bevestigd.

Er zijn geen foto's bekend van Herr Aliquis, maar voortgaande op de beschrijving van Freud moet hij er ongeveer zo hebben uitgezien:

Herr Aliquis' alter ego

Afbeelding 1: Herr Aliquis (robotfoto)

Bronnen:

Stärcke, Johan
"De invloed van ons onbewuste in ons dagelijksch leven", 1921, vertaling van "Zur Psychopathologie des Alltagslebens", S. Freud
van het Reve, Karel
"Sigmund Freud en Sherlock Holmes", Tirade, jaargang 29, 1985
Crews, Frederick
"Freud", Profile Books Ltd, 2017, ISBN 978 1 78125 712 8